De avonturen van Oliver Twist在线阅读

De avonturen van Oliver Twist

Txt下载

移动设备扫码阅读

HOOFDSTUK XLII.

Een oude kennis van Oliver legt besliste bewijzen van genie aan den dag en wordt een publiek persoon in de hoofdstad.

Op den avond, toen Nancy, nadat zij Mr. Sikes in slaap gesust had, naar Rose Maylie op weg was om daar haar vrijwillige zending te volbrengen, liepen op den Great North Road, in de richting van Londen, twee personen, aan wie ons verhaal eenige aandacht dient te schenken.

Het waren een man en een vrouw, of misschien is het juister te zeggen een mannelijk en een vrouwelijk wezen; want de eerste was een van die waggelende, beenige figuren met lange ledematen en doorzakkende knieën, wier juiste leeftijd heel moeielijk te bepalen is—terwijl zij nog jongens zijn zien zij er uit als slecht uitgegroeide mannen en als ze bijna man zijn als uit hun kracht gegroeide jongens. De vrouw was jong, maar sterk en forsch gebouwd, wat zij noodig had om in staat te zijn het gewicht van den zwaren bundel te torschen, die op haar rug gesnoerd was. Haar metgezel had zich niet met bagage overlast; het eenige was een klein pakje in een zakdoek geknoopt, dat aan een stok over zijn schouder bengelde en er licht genoeg uitzag. Deze omstandigheid, gevoegd bij de buitengewone lengte van zijn beenen, deed hem gemakkelijk een zestal passen voor zijn gezellin uit loopen; nu en dan keerde hij zich tot haar met een ongeduldig hoofdschudden, als om haar haar traagheid te verwijten en tot grooter inspanning aan te sporen.

„Wijs ons de gelagkamer en geef ons wat koud vleesch en een kruik bier, terwijl je 't gaat vragen,” zei Noah.

„We komen van buiten en een meneer dien wij onderweg tegenkwamen, heeft ons deze herberg genoemd,” zei Noah, Charlotte aanstootend, misschien om haar aandacht te vragen voor dezen vernuftige manier, zich een houding te geven, misschien om haar te waarschuwen geen verwondering te verraden. „We willen hier vannacht slapen.”

„Waarom niet?”

„Waar denk je vannacht te blijven, Noah?” vroeg ze, nadat zij een paar honderd yards voort waren geloopen.

„Vreemden!” herhaalde de oude man fluisterend.

„St!” zei Barney, „vreemden in 't achterkamertje.”

„Nou, je hoeft niet zoo te snauwen,” zei Charlotte.

„Nog ver! We zijn zoo goed als aan 't eind,” zei de langbeenige wandelaar, terwijl hij vóór zich uit wees. „Kijk! Dat zijn de lichten van Londen.”

„Neen, je vertrouwde op me en laat 't mij dragen, omdat je een lieverd bent,” zei Charlotte, terwijl zij hem om de kin streelde en haar arm door den zijne stak.

„Nee, niet dichtbij,” antwoordde Mr. Claypole. „Daar! Niet dichtbij; denk dat maar niet.”

„Kreupelen,” zei Charlotte.

„Kom nou, kan je niet meer? Wat ben jij 'n luiwammes, Charlotte.”

„Jij heb 't geld uit de lâ genomen, dat weet je ook wel,” zei Mr. Claypole.

„Ja! En rare ook,” voegde Barney er bij. „Van buiten, baar iets voor jou of ik heb 't bis.”

„Is dit „De drie Kreupelen?”” vroeg Noah.

„Is 't nog ver?” vroeg de vrouw; zij leunde tegen een aarden wal en keek naar hem op, terwijl het zweet haar over het gezicht gudste.

„Ik weet wel, dat ik niet zoo snugger ben als jij,” hernam Charlotte, „maar je hoeft mij niet van alles de schuld te geven en te zeggen, dat ik opgesloten zou zijn. Als ik opgesloten was, zou jij in elk geval mee zijn gegaan.”

„Ik heb 't voor jou genomen, Noah, lieverd,” wierp Charlotte tegen.

„Hoe weet ik dat?” antwoordde Noah, wiens stemming er door de wandeling niet beter op was geworden.

„Heb ik 't gehouden?” vroeg Mr. Claypole.

„Geef mij het pak,” zei Noah, terwijl hij het Charlotte afnam en 't over zijn eigen schouders wierp, „en pas op, dat je niet praat, behalve als ze tegen jou praten. Hoe heet de herberg—de—de drie—wat?”

„Dus nou word ik een heer,” zei Mr. Claypole, zijn beenen uitstrekkend, met welke woorden hij een gesprek voortzette, waarvan Fagin het begin gemist had. „Geen malle doodkisten meer, Charlotte, maar een heerenleventje voor mij; en als jij wil dan ben je 'n dame.”

„Drie Kreupelen,” herhaalde Noah, „'n best uithangbord, dat moet ik zeggen. Nou! Blijf vlak achter me; kom.”

„Dichtbij, hoop ik?” zei Charlotte.

„Dat wil ik graag genoeg, lieverd,” antwoordde Charlotte, „maar der zijn niet elken dag lâtafels om te leegen zonder dat ze ons bij de kladden krijgen.”

„Dat is de daam van dit 'uis,” antwoordde de Jood.

„Als ik je zeg, dat ik iets doe, dan is dat genoeg, zonder waaroms of daaroms,” antwoordde Mr. Claypole waardig.

„Aha!” fluisterde hij tot Barney, „die kerel staat me aan. Hij kan ons van nut zijn; hij weet al hoe hij met 'n meid moet omspringen. Hou je zoo stil als een muis jongen, dan kan ik hooren wat ze zeggen.”

„'t Zou prachtig zijn, hè, om bij de eerste de beste herberg buiten de stad halt te houden, zoodat Sowerberry, als hij ons achterna komt, dadelijk zijn neus naar binnen kan steken en ons in een kar terug kan laten brengen met de handboeien aan,” zei Mr. Claypole op smalenden toon. „Nee! ik ga door de nauwste steegjes dwalen, die ik vinden kan en sta niet stil eer wij bij de afgelegenste herberg zijn gekomen, waar m'n oog op valt. Je mag je gesternte wel danken dat ik ten minste hersens heb, want als we eerst niet expres den verkeerden weg waren ingeslagen en door de velden weer teruggekomen, zou je zoo zeker als twee maal twee vier is een week geleden al opgesloten zijn. En dan had je je verdiende loon, omdat je een zottin bent.”

„'t Is minstens nog 'n goede twee mijl,” zei de vrouw neerslachtig.

„'t Is een heele vracht, dat verzeker ik je,” zei de vrouw en kwam, hijgend van vermoeienis, bij hem aan.

„'t Doet er niet toe, of 't twee mijlen of twintig ver is,” zei Noah Claypole, want hij was het; „maar sta op, of ik zal je beenen leeren maken.”

„'n Vracht! Waar heb je 't over? Waar ben je dan voor gemaakt?” zei de mannelijke reiziger en gooide onder het spreken zijn kleine bundeltje over den anderen schouder. „O, daar moet ze alweer rusten! Als jij iemands geduld niet uitput, weet ik niet, wat 't dan wel doen kan!”

„'k Weet diet zeker of 't khan,” zei Barney—want hij was de gedienstige geest, „maar 'k zal 't vragen.”

Zoo zwoegden zij voort langs den stoffigen weg, zonder veel notitie te nemen van eenig voorwerp, dat hun voor oogen kwam, behalve als zij op zij gingen om de postwagens, die uit de stad aan kwamen ratelen, voorbij te laten gaan. Toen zij de bogengang van Highgate door waren, bleef de voorste voetganger staan en riep zijn tochtgenoote ongeduldig toe:

Weer bracht hij zijn oog vóór het ruitje, legde zijn oor tegen den tusschenwand en luisterde met alle aandacht; op zijn gezicht lag een sluwe nieuwsgierige trek, die het op 't gezicht van een ouden kobold deed gelijken.

Tengevolge van zijn omzichtig plan, liep Mr. Claypole voort zonder stil te staan, tot zij bij „de Engel” in Islington kwamen, waar de massa voorbijgangers en het groote aantal voertuigen hem terecht op het denkbeeld brachten, dat hier Londen in ernst begon. Een oogenblik stilstaande om te zien, wat de drukke straten waren, die hij dus vermijden moest, ging hij St. John's Road in en verloor zich spoedig in het duistere warnet van vuile straten, die tusschen Gray's Inn Lane en Smithfield liggen en dit stadsgedeelte maken tot een van de slechtste en gemeenste, dat niettegenstaande alle verbeteringen midden in Londen is blijven bestaan.

Noah's roode neus werd nog rooder van boosheid en hij stak den weg over alsof hij aanstalten maakte, zijn bedreiging ten uitvoer te brengen; de vrouw stond zonder eenige verdere opmerking op en zwoegde weer naast hem voort.

Met deze vermaningen duwde hij de krassende deur met zijn schouder open en ging, gevolgd door zijn gezellin, de herberg binnen.

Fagin ontving deze mededeeling blijkbaar met veel belangstelling. Hij klom op een krukje en bracht voorzichtig zijn oog voor het ruitje; van deze geheime observatiepost kon hij zien, hoe Mr. Claypole koud vleesch van den schotel nam en porter uit de kruik en homoeopatische doses van beide aan Charlotte toediende, die er geduldig bij zat en at en dronk, wat hij haar geven wilde.

Er stond niemand bij het buffet als een jonge Jood, die, met zijn ellebogen op de toonbank, een vuile courant stond te lezen. Hij keek Noah strak aan en Noah keek hem strak aan.

Door deze straten liep Noah Claypole, Charlotte achter zich aan zeulend; nu eens stapte hij in de goot langs de straat om met één blik het uiterlijk voorkomen van de een of andere herberg op te nemen; dan sjokte hij weer voort, omdat iets in het uiterlijk van 't huis hem deed denken, dat het te druk bezocht was om hem dienstig te zijn. Eindelijk bleef hij staan vóór een herberg, de onaanzienlijkste en smerigste die hij nog gezien had; nadat hij naar den overkant van de straat was gegaan en het huis vandaar af had opgenomen, gaf hij genadig zijn voornemen te kennen, hier nachtverblijf te zoeken.

Dit was inderdaad het geval; doch daar het niet Mr. Claypole's gewoonte was, een blind en dwaas vertrouwen te stellen in wie ook, moeten wij, om hem recht te doen, opmerken, dat hij Charlotte hierin zijn vertrouwen had geschonken, opdat het geld, wanneer ze vervolgd werden, op haar gevonden zou worden; dit zou hem de gelegenheid schenken, zijn onschuld aan elken diefstal te bewijzen en zijn kansen om te ontsnappen zeer vergemakkelijken. Natuurlijk trad hij onder de gegeven omstandigheden niet in een verklaring van zijn beweegredenen, en zij liepen zeer eendrachtig voort.

Deze achterkamer lag vlak achter het buffet en eenige treden lager dan dit, zoodat iemand, die hier thuis behoorde en een gordijntje wegtrok, dat een klein glasruitje in den muur van het buffet, zoowat vijf voet van den grond af, bedekte, niet alleen de gasten in de achterkamer kon bespieden zonder veel kans te loopen door hen opgemerkt te worden, (het ruitje bevond zich in een donkeren hoek van den muur, waar de bespieder door een dikken rechtopstaanden balk verborgen was) maar, door zijn oor tegen den tusschenmuur te leggen, vrij duidelijk het gesprek kon volgen. De waard had niet langer dan vijf minuten deze spionage-plaats verlaten en Barney had juist zijn boodschap aan Noah gebracht, toen Fagin, in den loop van zijn avondbezigheden, het buffet kwam binnenloopen om naar enkelen van zijn jonge leerlingen te vragen.

Barney voldeed aan dit verzoek door hen naar een klein achtervertrekje te brengen, waar hij het bestelde voor hen neerzette; daarna bracht hij de boodschap, dat de reizigers daar dien nacht konden logeeren en liet het beminnelijke paar aan hun maaltijd.

Als Noah zijn liefdadigheidskleeren aan had gehad, zou er eenige reden voor den Jood zijn geweest zijn oogen zoo wijd open te sperren; doch daar hij de jas met de opslagen had uitgelaten en een korten kiel boven zijn leeren broek droeg, scheen er geen bijzondere reden te zijn waarom zijn verschijning in een herberg zoozeer de aandacht zou trekken.

„Lâtafels kennen opvliegen!” zei Mr. Claypole; „der zijn nog andere dingen, die geleegd kennen worden.”

„Wat meen je?” vroeg zijn gezellin.

„Zakken, reticulen, huizen, diligences, banken!” zei Mr. Claypole, opgewonden door het bier.

„Maar dat kan je niet allemaal doen,” zei Charlotte.

„Ik zal zien, met anderen samen te komen, die het wel kunnen,” antwoordde Noah. „Ze zullen ons wel op een of andere manier kunnen gebruiken. Jij alleen bent vijftig vrouwen waard, want ik heb nooit zoo'n sluw, leugenachtig schepsel gezien als jij, als ik je niet onder den duim houd.”

„Gunst, wat heerlijk dat je dat zegt!” riep Charlotte uit en drukte een kus op zijn leelijke gezicht.

„Nou, 't is al mooi; je moet niet al te lief doen als ik kwaad op je ben,” zei Noah en maakte zich met groote strengheid los. „Ik zou graag de hoofdman van een bende willen zijn en ze allemaal de baas wezen en ze overal volgen zonder dat zij 't zelf wisten. Dat zou me bevallen als 't wat opleverde; konden we maar in aanraking komen met een of andere kerel van dit soort, daar zou ik het biljet van twintig pond dat jij hebt, voor over hebben, vooral omdat we toch niet goed weten hoe wij het aan den man zullen brengen.”

Nadat hij dit als zijn oordeel had uitgesproken, blikte Mr. Claypole met een air van diepe wijsheid in de bierkan; hij schudde den inhoud flink door elkaar, gaf Charlotte een genadig knikje en nam een teug, die hem bijzonder scheen te verfrisschen. Hij dacht er juist over, een tweede kan te bestellen, toen hij gestoord werd doordat de deur plotseling openging en een vreemdeling binnenkwam.

De vreemdeling was Mr. Fagin. Hij zag er zeer beminnelijk uit en maakte een diepe buiging, terwijl hij nader kwam, aan het tafeltje naast dat van Noah ging zitten en aan den grinnikenden Barney iets te drinken bestelde.

„Een mooie avond meneer, maar koel voor den tijd van 't jaar,” zei Fagin, zich in de handen wrijvend. „U komt van buiten, zie ik, mijnheer?”

„Hoe ziet u dat?” vroeg Noah Claypole.

„We hebben in Londen zooveel stof niet,” antwoordde Fagin en wees van Noah's schoenen naar die van Charlotte en toen naar de twee pakken.

„U bent 'n snuggere kerel,” zei Noah. „Ha! ha! heb je 't gehoord Charlotte?”

„Ja, mijn waarde heer, in de stad moet je uitgeslapen zijn,” antwoordde de Jood en liet zijn stem tot vertrouwelijk gefluister dalen; „dat is de waarheid.”

Fagin zette deze opmerking kracht bij, door met zijn rechter wijsvinger langs den kant van zijn neus te strijken—een gebaar, dat Noah trachtte na te volgen, ofschoon hij er niet geheel in slaagde, daar zijn neus niet groot genoeg was tot dit doel. Mr. Fagin echter scheen de poging op te vatten als de uitdrukking van volkomen eensgezindheid met zijn oordeel en liet met gul gebaar den drank, dien Barney juist binnenbracht, rondgaan.

„Beste waar, dat!” merkte Mr. Claypole op, met zijn lippen smakkend.

„Maar duur!” zei Fagin. „Als een man dit geregeld wil drinken, moet hij in de gelegenheid zijn, een lade te leegen of een zak of een reticule of een huis of een diligence of een bank.”

Nauwelijks hoorde Mr. Claypole dit uittreksel van zijn eigen opmerkingen of hij viel vol ontzetting terug in zijn stoel en keek met aschgrauw gezicht van den Jood naar Charlotte.

„Maak u niet ongerust,” zei Fagin en trok zijn stoel dichter aan de tafel. „Ha! ha! 'n geluk, dat ik 't maar was, die het toevallig hoorde. 'n Groot geluk, dat ik het maar was.”

„Ik heb niet gestolen,” stamelde Noah; hij stak zijn beenen niet meer rechtuit als een onafhankelijk heer, maar verstopte ze zoo goed mogelijk onder zijn stoel; „zij heeft 't allemaal gedaan; je hebt 't nou nog, Charlotte, dat weet je.”

„'t Komt er niet op aan beste jongen, wie 't heeft of wie 't gedaan heeft!” antwoordde Fagin, maar gluurde desondanks met een haviksblik naar het meisje en de twee bundels. „Ik ben zelf in dat soort zaken en 't bevalt me in je.”

„In wat voor zaken?” vroeg Mr. Claypole, terwijl hij een beetje opleefde.

„Wel—dat soort zaakjes,” herhaalde Fagin, „en de menschen van de herberg hier hooren ook tot ons soort. Je hebt den spijker op den kop geslagen en bent hier zoo veilig als 't maar kan. Er is geen veiliger plaats in heel Londen dan „De Kreupelen;” dat wil zeggen als ik 't veilig wil maken. En jij en die vrouw staan me aan; dus heb ik het wachtwoord gegeven en je hart kan gerust zijn.”

Misschien was Noah's hart gerust na deze verzekering, maar zijn lichaam was 't zeker niet; hij schuifelde heen en weer en wrong zich in allerlei zonderlinge houdingen, terwijl hij zijn nieuwen vriend intusschen met vrees en argwaan opnam.

„Ik zal je nog meer zeggen,” zei Fagin, nadat hij het meisje door vriendelijke knikjes en gemompelde aanmoedigingen gerust gesteld had, „ik heb een vriend, die, naar ik meen, je liefste wensch kan vervullen en je den weg zal wijzen, waarop je kunt kiezen, welke branche van de zaak je denkt, dat je vooreerst het best zou lijken; langzamerhand kun je dan al het andere leeren.”

„U praat of u 't meent,” antwoordde Noah.

„Wat zou ik er aan hebben, het te zeggen als ik 't niet meende?” vroeg Fagin, zijn schouders ophalend. „Hier! Laat me buiten de kamer een woordje met u alleen spreken.”

„Daarvoor hoeven we niet uit de kamer te gaan,” zei Noah, terwijl hij allengs zijn beenen weer uitstrekte. „Zij kan in die tijd de bagage boven brengen. Charlotte, zorg voor de pakken!”

Dit bevel, dat met groote majesteit werd gegeven, werd zonder de minste tegenwerping gehoorzaamd; Charlotte sjouwde de pakken weg, terwijl Noah de deur voor haar openhield.

„Ik heb haar goed onder den duim hè?” vroeg hij, op den toon van een dierentemmer, die een of ander wild dier getemd heeft, en ging weer zitten.

„Prachtig!” stemde Fagin toe, en klopte hem op den schouder. „U bent 'n geniale kerel!”

„Ja, als ik dat niet was, was ik nou niet hier,” antwoordde Noah. „Maar als u de tijd verloren laat gaan, komt ze terug.”

„Nou, wat denkt u ervan?” vroeg Fagin. „Als u 't met mijn vriend kon vinden.... zou het dan niet 't best zijn, u bij hem aan te sluiten?”

„Als hij goeie zaken doet, daar komt het opan!” antwoordde Noah met een van zijn oogjes knippend.

„Het neusje van de zalm,” zei Fagin; „hij heeft een massa handen in zijn dienst en de beste lui van 't vak om hem heen.”

„Allemaal uit de stad?” vroeg Claypole.

„Geen één buitenman en ik geloof niet, dat hij u aan zou nemen, zelfs op mijn aanbeveling, als hij niet juist gebrek had aan helpers,” hernam Fagin.

„Moet ik dokken?” vroeg Noah met de hand in zijn broekzak.

„Anders zal het moeilijk gaan,” antwoordde Fagin beslist.

„Twintig pond,—nou 't is 'n heel stuk geld!”

„Niet, als 't 'n biljet is, dat je niet kwijt kunt raken,” wierp Fagin tegen. „Nummer en datum bekend, zeker? En de bank gewaarschuwd om 't niet aan te nemen. Och nee! 't is voor hem niet veel waard. Hij zal 't weer aan anderen moeten geven en er veel op verliezen.”

„Wanneer kan ik hem spreken?” vroeg Noah weifelend.

„Morgenochtend.”

„Waar?”

„Hier.”

„Hm,” zei Noah. „Wat verdien ik er mee?”

„'n Heerenleven—kost en inwoning, pijpen en borrels vrij—de helft van alles wat je verdient en de helft van alles wat de vrouw verdient,” antwoordde Fagin.

Of Noah Claypole, die niet weinig hebzuchtig was—zelfs op dit schitterende aanbod zou zijn ingegaan, wanneer hij geheel vrij man was, is zeer twijfelachtig, doch daar hij bedacht, dat zijn nieuwe kennis 't ingeval van weigering in zijn macht had, hem onmiddellijk aan de justitie over te leveren, (zulke onwaarschijnlijke dingen zijn meer gebeurd) gaf hij langzamerhand toe en zei hoe hij wel dacht, dat 't iets voor hem zijn zou.

„Maar ziet u,” merkte Noah op, „de meid kan 't meeste werk doen, ik zou graag wat licht werk doen.”

„Zoo'n beetje „liefhebberij-werk?”” gaf Fagin aan.

„Ja! zoo iets,” antwoordde Noah. „Wat zou 't best voor me zijn, denkt u? Iets, dat niet te veel inspanning vraagt en niet erg gevaarlijk is, ziet u. Zoo iets meen ik!”

„Ik hoorde je iets noemen als 't bespionneeren van de anderen,” zei Fagin. „Mijn vriend heeft juist groote behoefte aan iemand, die dat goed doet.”

„Ja, daar heb ik wel van gesproken, en ik zou er niet tegen hebben, me daar somtijds voor te laten gebruiken,” zei Mr. Claypole langzaam, „maar 't is geen werk dat wat oplevert.”

„Dat 's waar!” gaf de Jood toe, terwijl hij nadacht of scheen na te denken. „Nee, dat gaat niet.”

„Wat denkt u dan?” vroeg Noah, en keek hem verlangend aan. „Iets sluiperigs, dat vast werk geeft en niet meer gevaar dan of je thuis bent.”

„Wat denk je van de oude dames?” vroeg Fagin. „Der is heel wat geld te maken door hun tasschen en zakken te gappen en de hoek om te hollen.”

„Gillen ze niet verschrikkelijk en krabben ze soms niet?” vroeg Noah hoofdschuddend. „Ik geloof niet, dat dat iets voor mij is. Is er niets anders te vinden?”

„Wacht!” zei Fagin met zijn hand op Noah's knie. „De kuikens!”

„Wat's dat?” vroeg Mr. Claypole.

„Dat zijn de kleine kinderen, die door hun moeders worden uitgestuurd om een boodschap te doen met sixpences en shillings; de kunst is, hun 't geld af te nemen—ze houden 't altijd klaar in hun handen—ze dan in een goot te smijten en heel langzaam weg te gaan, alsof er niets anders gebeurd is dan een kind dat valt en zich pijn doet. Ha! ha! ha!”

„Ha! ha!” brulde Mr. Claypole, van opwinding met zijn beenen trampelend, „God! dat is wat voor me!”

„Natuurlijk,” hernam Fagin, „je kan daar een goeie slag mee slaan in de buurt van Camden Town en Battle Bridge en in zulke buurten, waar altijd kinderen boodschappen gaan doen; je kan daar op elk uur van den dag zooveel kuikens omsmijten als je wil. Ha! ha! ha!”

Fagin gaf Claypole een stomp in de zijde en ze barstten beiden in een luid, langdurig gelach uit.

„'t Is in orde!” zei Noah, toen hij weer tot bedaren was gekomen en Charlotte binnen was. „Hoe laat zullen we zeggen morgen?”

„Is tien uur goed?” vroeg Fagin en voegde er, toen Claypole toestemmend knikte, bij: „Welken naam kan ik aan mijn vriend opgeven?”

„Mijnheer Bolter,” zei Noah, die op dit geval was voorbereid. „Mijnheer Morris Bolter. Dit is juffrouw Bolter.”

„Juffrouw Bolter, uw onderdanige dienaar,” zei Fagin en boog met spottende beleefdheid. „Ik hoop binnenkort nader kennis met haar te maken.”

„Hoor je wat die meneer zegt, Charlotte?” donderde Mr. Claypole.

„Jawel Noah, jawel!” antwoordde juffrouw Bolter en stak haar hand uit.

„Ze noemt me Noah; dat is een soort lief bijnaampje,” zei Mr. Morris Bolter, voorheen Claypole, terwijl hij zich tot Fagin wendde. „Begrijpt u?”

„O ja, ik begrijp 't—volkomen,” antwoordde Fagin en ditmaal sprak hij waarheid. „Goeiennacht! Goeiennacht!”

Met vele goede wenschen en groeten ging Fagin heen.

Noah Claypole vroeg de aandacht van zijn lieve vriendin en begon uit te leggen welk aandeel zij zou hebben in de schikking, zoo juist door hem getroffen; hij deed dit met al de zelfbewustheid en meerderheid, die hem niet alleen toekwam als lid van de sterkere sexe, maar ook als een heer, die wist wat het was, zich speciaal er op toe te leggen, in Londen en zijn omtrek kinderen te bestelen.

2.32%
HOOFDSTUK XLII.