De avonturen van Oliver Twist在线阅读

De avonturen van Oliver Twist

Txt下载

移动设备扫码阅读

HOOFDSTUK XXII.

De inbraak.

„Hallo!” riep een luide, schorre stem, zoodra zij hun voeten in de gang hadden gezet.

„Maak niet zoo'n kabaal,” zeide Sikes, terwijl hij de deur grendelde. „Geef 'n lichie, Tom.”

„Vooruit!” hield Toby aan. „Denk je, dat ik niet weet wat goed voor je is? Zeg, dat hij 't drinkt, Bill.”

„Van Fagin, zoo!” riep Toby uit, terwijl hij naar Oliver keek. „Wat 'n prachtige jongen voor de zakken van de oude dames in de kerk!

„Steek de stad maar door,” fluisterde Sikes; „er zal vannacht wel niemand op straat zijn, die ons zien kan.”

„Sta op!” fluisterde Sikes, bevend van woede en 't pistool uit zijn zak trekkend, „sta op, of ik schiet je door je hersens.”

„Pistolen voor mij, Barney,” zei Toby Crackit.

„O! Om Gods wil, laat me heengaan!” riep Oliver, „laat me wegloopen en ergens sterven. Ik zal nooit in de buurt van Londen komen, nooit, nooit! Och toe, heb medelijden met me en laat me niet stelen. Ter wille van al de goede engelen in den hemel, heb medelijden met me.”

„Nou,” zei Sikes, terwijl hij weer ging zitten „als je ons wat te eten en te drinken wilt geven, terwijl we wachten, steek je ons een riem onder 't hart; mij ten minste. Kom bij 't vuur zitten, jongen, en rust uit, want je moet er van avond weer met ons op uit, al is 't niet ver.”

„Nou!” zei Sikes en stak zijn hand uit.

„Nou ja—al genoeg,” viel Sikes ongeduldig in; hij boog zich over zijn liggenden vriend heen en fluisterde hem een paar woorden in 't oor, waarop Mr. Crackit geweldig begon te lachen en Oliver vereerde met een langen blik van verwondering.

„Nou de jongen,” zei Toby. „Til hem op, dan zal ik hem anpakken.”

„Neem zijn andere hand, Toby,” zei Sikes. „Ga uitkijken Barney.”

„Looper, sleutels, breekijzers, lantarens—niets vergeten?” vroeg Toby, terwijl hij een klein breekijzer aan een lus binnen in zijn jas vastmaakte.

„In orde,” voegde zijn makker er bij. „Geef de houten, Barney. 't Is hoog tijd.”

„Ik,” wierp Oliver tegen met een klagelijken blik op het gezicht van den man, „gerust, ik—”

„Hoor je niet?” riep dezelfde stem. „Bill Sikes staat in de gang en er is niemand om hem te ontvangen, en jij zit te slapen of je bij je eten laudanum gezopen hebt inplaats van wat sterkers. Ben je nou frisch of wil je den ijzeren kandelaar naar je kop hebben om heelemaal wakker te worden?”

„Hier! jij eerst,” zei Sikes, Oliver vóór zich uitduwend. „Gauw! of ik trap je op je hielen.”

„Hier zijn ze,” antwoordde Barney, twee pistolen te voorschijn halend. „Je hebt ze zelf geladen.”

„Goed!” antwoordde Toby, ze wegstoppend. „De nijptang.”

„Eén van beheer Fagin's jongens,” riep Barney met een grijns.

„Een druppel voor de jongen,” zei Toby en schonk een wijnglas half vol. „Drink op, onschuld.”

„Die heb ik”, antwoordde Sikes.

„De jongen maar!” antwoordde Sikes en trok een stoel bij het vuur.

„Bill, beste kerel!” zei deze gedaante, terwijl hij zijn hoofd naar de deur wendde. „Blij je te zien. Ik was al bang, dat je 't opgaf; in dat geval had ik zelf een kansje gewaagd. Hallo!”

„Beheer Sikes!” riep Barney met echte of gehuichelde vreugde; „kod binnen beheer, kod binnen!”

„Asjeblieft!” zei Toby, terwijl de jonge Jood wat etenskliekjes en een flesch op tafel zette, „op 't lukken van de zaak!”

„Aha! m'n kameraad!” riep dezelfde stem. „'n Lichie Barney, 'n lichie! Laat de heeren binnen, Barney; maar word eerst wakker, als 't je hetzelfde is.”

„'t Zou wel zoo goed zijn!” zei Sikes, met zijn hand op zijn zak kloppend. „De duivel mag me halen, als hij niet meer last geeft dan een heele familie Vossen. Drink, leelijke dwerg, drink op!”

Zij sliepen of schenen een poos te slapen; niemand verroerde zich als Barney, die eens of tweemaal opstond om kolen op het vuur te gooien. Oliver viel in een zware sluimering, waarin hij zich verbeeldde langs de sombere wegen te loopen of op het donkere kerkhof, of hij doorleefde een of ander tooneel van den vorigen dag; plotseling werd hij gewekt, doordat Toby Crackit opsprong en verklaarde dat het half twee was.

Verschrikt door de dreigende gebaren van de beide mannen, dronk Oliver haastig den inhoud van het glas op en kreeg dadelijk een hevige hoestbui, waar Toby Crackit en Barney om schaterden en zelfs de norsche Sikes om glimlachte.

Toen dit voorbij was en Sikes zijn eetlust had voldaan (Oliver kon niets eten als een klein stukje brood, dat zij hem opdrongen), strekten de twee mannen zich uit op een paar stoelen om een dutje te doen. Oliver bleef op zijn stoel bij het vuur en Barney strekte zich, in een wollen deken gewikkeld, vlak bij den haard op den vloer uit.

Toby stemde toe en ze liepen haastig voort door de hoofdstraat van het stadje, op dit late uur geheel verlaten. Hier en daar scheen een flauw lichtje uit 't raam van een slaapkamer en nu en dan werd de nachtelijke stilte verbroken door schor hondengeblaf. Maar er was niemand op straat. Toen de klok twee uur sloeg, hadden zij de stad achter zich.

Op deze vraag schuifelden een paar voeten in pantoffels haastig over den naakten vloer van de kamer en uit de deur rechts kwam eerst een zwakke kaarslichtschijn te voorschijn en toen de gestalte van denzelfden man, dien wij tevoren hebben leeren kennen als door zijn neus sprekend en die dienst deed als kellner in de herberg van Saffron Hill.

Oliver, die als versuft was door de ongewone vermoeienis, de buitenlucht en den opgedrongen drank, legde werktuigelijk zijn hand in de hand, die Sikes hem tot dat doel toestak.

Oliver keek Sikes in stomme, angstige verbazing aan; hij trok een stoel bij 't vuur en zat daar met het pijnlijke hoofd in de handen, zich nauwelijks bewust waar hij was of wat er om hem heen gebeurde.

Mr. Toby Crackit deed dezen uitroep in de hoogste verwondering, toen zijn oog op Oliver viel; hij ging rechtop zitten en vroeg wie 't was.

Met een vloek om zijn aarzelen, stompte Sikes Oliver naar binnen; ze kwamen in een lage, donkere kamer met een rookend vuur, twee of drie kapotte stoelen, een tafel en een oud bed; hierop, met zijn beenen veel hooger dan zijn hoofd, lag een man in zijn volle lengte uitgestrekt, een lange steenen pijp te rooken. Hij had een goed gemaakte tabakskleurige jas aan met groote koperen, knoopen, een oranje halsdoek, een grof, bontkleurig vest en een gele broek. Mr. Crackit (want die was het) had niet veel haar, noch op zijn hoofd, noch op zijn gezicht, maar wat hij had, was rossig en in lange kurkentrekkerachtige krullen gedraaid, waardoor hij nu en dan zijn smerige vingers haalde, aan die vingers prijkten groote namaakringen. Hij was iets boven de middelmatige lengte en blijkbaar eenigszins zwak op zijn beenen; doch deze omstandigheid deed niets af aan zijn eigen bewondering voor zijn kaplaarzen, die hij van uit de laagte met levendige voldoening bekeek.

Met deze woorden nam hij een dikken stok uit Barney's handen, deze reikte Toby een anderen toe en ging daarna Oliver's cape vastmaken.

In een oogenblik stonden de andere twee op hun beenen en allen begonnen ijverig hunne toebereidselen te maken. Sikes en zijn metgezel wikkelden hals en kin in groote donkere shawls en trokken hun manteljassen aan, terwijl Barney uit een kast allerlei voorwerpen voor den dag haalde, die hij haastig in hun zakken stopte.

In dat smoel van 'm zit 'n fortuin.”

Hun stap verhaastend, sloegen zij een weg in, die naar links leidde. Na ongeveer een kwart mijl geloopen te hebben, bleven zij voor een alleenstaand huis met een muur er omheen stilstaan; Toby Crackit klom, bijna zonder tijd te nemen om adem te scheppen, in een oogwenk op dien muur.

Hij stond op ter eere van de toast, borg voorzichtig zijn leege pijp in een hoek, kwam bij de tafel, vulde een glas met drank en dronk het leeg. Sikes deed hetzelfde.

Het was stikdonker. De mist was veel dikker dan in den vooravond en de lucht zóó vochtig, dat Oliver's haar en wenkbrauwen, ofschoon er geen regen viel, enkele minuten nadat zij uit huis waren gegaan, stijf waren door den half bevroren damp, die om hen heen golfde. Ze gingen de brug over en liepen voort in de richting van de lichten, die hij te voren gezien had. Ze waren niet ver af en daar zij vlug doorstapten, waren ze spoedig in Chertsey.

En nu, voor 't eerst, begreep Oliver, bijna krankzinnig van verdriet en angst, dat inbraak en diefstal, misschien wel moord, het doel was van den tocht. Hij vouwde zijn handen en stootte onwillekeurig een onderdrukten kreet van afschuw uit. Voor zijn oogen kwam een mist, het koude zweet parelde op zijn aschgrauw gezicht, zijn beenen weigerden den dienst en hij zonk op zijn knieën.

Eer Oliver tijd had gehad om zich heen te zien, had Sikes hem onder de armen gegrepen en drie of vier seconden later lagen hij en Toby aan den anderen kant op het gras.

De spreker scheen een laarzenknecht of een ander dergelijk artikel naar den toegesproken persoon te smijten om hem uit zijn sluimering te wekken, want men hoorde het geluid van een houten voorwerp, dat hard neerkwam, en dan een onverstaanbaar gemompel, als van iemand tusschen slapen en waken.

De man ging naar de deur en kwam terug met de boodschap, dat alles stil was. De beide boeven gingen naar buiten, met Oliver tusschen hen in. Barney sloot alles stevig, rolde zich weer in zijn deken en viel spoedig in slaap.

De man, tot wien deze smeekbede was gericht, stootte een verschrikkelijken vloek uit en haalde den haan van het pistool over, toen Toby het uit zijn hand sloeg, zijn vinger op Oliver's mond legde en hem meesleepte naar het huis.

„Stil!” zei Toby, „dat zou hier verkeerd zijn. Zeg nog één woord en ik doe wat jij wou doen met een mep op zijn kop. Dat maakt geen leven en is net zoo zeker en menschlievender. Hier Bill, maak 't luik open. Hij heeft nou z'n vet wel, denk ik. Ik heb wel andere jongens in een kouden nacht voor een paar minuten zich net zoo zien aanstellen.”

Sikes riep de vreeselijkste verwenschingen op Fagin's hoofd in, omdat hij Oliver op zoo'n tocht had meegegeven en zwaaide woedend met het breekijzer, echter zonder er veel leven bij te maken. Na een oogenblik, toen Toby geholpen had, zwaaide het luik, waaraan hij gewerkt had, open op zijn hengsels.

Het was van een klein tralievenster, ongeveer vijf en een halve voet boven den grond, aan den achterkant van het huis; dit leidde naar een wasch- of bierhok aan het eind van de gang. De opening was zóó klein, dat de bewoners het waarschijnlijk niet noodig hadden gevonden, dat raampje beter te verzekeren, maar het was toch wijd genoeg om een jongen van Oliver's grootte door te laten. Een korte greep van Sikes' hand was voldoende om de tralies los te wringen, zoodat het raampje spoedig wijd open stond.

„Luister nou, klein mormel,” fluisterde Sikes, haalde een dievenlantaarn uit zijn zak en liet het licht op Oliver's gezicht schijnen, „ik zal je hier doorheen zetten. Neem dit licht, loop zachtjes de trap op, die je recht voor je ziet en door de kleine hal naar de straatdeur; doe die open en laat ons binnen.”

„Bovenaan zit er een boom op, daar kan je niet bij,” viel Toby in. „Ga dan op een van de stoelen uit de hal staan. Er zijn er drie, Bill, met een mooie blauwe eenhoorn en een gouden hooivork er op, het wapen van de oude dame.”

„Hou je mond liever,” zei Sikes met een dreigenden blik. „De kamerdeur staat immers open?”

„Wijd open,” antwoordde Toby, nadat hij naar binnen had gekeken om zich te overtuigen. „De mop daarvan is, dat zij hem altijd op een kier open laten; dan kan de hond, die in de kamer slaapt, de gang in loopen als hij wat hoort. Ha! ha! Barney heeft hem vannacht weg weten te lokken. O zoo netjes!”

Ofschoon Crackit bijna onhoorbaar fluisterde en geluidloos lachte, gebood Sikes hem uit de hoogte stil te zijn en aan het werk te gaan. Toby deed dit, door eerst zijn lantaarn te voorschijn te halen en op den grond te zetten; vervolgens plantte hij zich stevig neer onder het raam, met zijn hoofd tegen den muur en zijn handen op zijn knieën, zoodat zijn rug als opstap kon dienen. Dadelijk klom Sikes op hem en tilde Oliver zachtjes door het raampje met zijn voeten naar voren; zonder zijn kraag los te laten, zette hij hem veilig binnen op den grond.

„Neem deze lantaarn,” zei Sikes met een blik in het kamertje. „Zie je de trap vóór je?”

Oliver, meer dood dan levend, bracht met moeite uit: „Ja.”

Sikes wees met zijn pistool naar de voordeur en raadde hem kortaf aan, er om te denken, dat hij den heelen weg binnen schot was en dat hij, bij de minste aarzeling, op hetzelfde oogenblik dood zou neervallen.

„'t Is in 'n minuut gedaan,” zeide Sikes, even zacht fluisterend. „Dadelijk, als ik je los laat, doe jij je werk. St!”

„Wat is dat?” fluisterde de ander.

„Niets,” zei Sikes en liet Oliver los. „Nou!”

In den korten tijd, dien hij gehad had om zijn gedachten te verzamelen, had de jongen het dappere besluit genomen, of het zijn leven kostte of niet, een poging te doen, uit de hal naar boven te hollen en de familie te waarschuwen. Vervuld van dit denkbeeld, sloop hij zachtjes voort.

„Kom terug!” schreeuwde Sikes plotseling hardop. „Terug! terug!”

Ontsteld door dit plotselinge verbreken van de doodsche stilte in huis en door een luiden schreeuw, die volgde, liet Oliver zijn lantaarn vallen en wist niet of hij vooruit ging of vluchtte.

De kreet werd herhaald—een licht verscheen—een visioen van twee verschrikte, half gekleede mannen boven aan de trap wemelde voor zijn oogen—een flits—een hard geluid—rook—een gekraak ergens, waar wist hij niet—en hij tuimelde terug.

Sikes was een oogenblik verdwenen, maar hij sprong op en greep, eer de rook was opgetrokken, Oliver bij zijn kraag. Hij schoot zijn eigen pistool af naar de mannen die reeds achteruitweken en trok den jongen omhoog.

„Hou me steviger vast,” zei Sikes, terwijl hij hem door het raam trok. „Geef me een doek. Ze hebben 'm geraakt. Gauw! Vervloekt, wat bloedt de jongen.”

Toen volgde luid belgerinkel, vermengd met het knallen van vuurwapens en kreten van menschen, en de gewaarwording, alsof hij snel over een oneffen grond voortgesleept werd. De geluiden verwarden zich in de verte en een koude als van den dood bekroop de borst van den jongen; hij zag of hoorde niets meer.

1.50%
HOOFDSTUK XXII.